Deze maand zijn we te gast bij één van onze nestors in de hobby, namelijk bij Theo Slagmolen in St. Katelijne Waver te België.
Wat vooraf ging:

Theo kan zich niet herinneren dat er geen vogels waren in zijn leven, vroeger thuis had hij een gemengde volière samen met zijn broer François. Toen er getrouwd werd heeft hij meer dan 20 jaar kanaries gekweekt zoals het moest voor de tentoonstelling en er waren enkele parkieten apart in een buitenvolière. Tevens wilde Theo keurmeester worden, maar hij zou liever parkieten gekeurd hebben, en zodoende werd er ingeschreven op een cursus in Antwerpen voor keurmeester. Vroeger moest men om keurmeester te worden 5 jaar lang, wekelijks 4 uur naar de les, dan examen en dan nog 3 jaar stage lopen als aspirant keurmeester. Dus geen kleine opgave, maar harde realiteit en de volledige vererving studeren. Dit was echter een stokpaardje voor Theo de vererving, en het mag gezegd worden, de meeste kleurenmutaties in parkieten en grasparkieten zijn door de gebroeders Slagmolen gekweekt. Surf maar eens naar hun website: www.pruimkopmutaties.be.
Het mag dan ook gezegd zijn, op dit vlak genieten ze wereldfaam. Theo heeft ook nog meer dan 10 keer steward geweest op de clubshow in Engeland, en de eerste 3 jaar mocht ge kooien aandragen en zeker uw mond houden achter de keurmeester. Na drie jaar komt daar verandering in en er kwam een goede band met enkele engelse keurmeesters, en vanaf dan werden tezamen met deze keurmeesters ieder Engels hok met faam bezocht en soms ook vogels gekocht. Ik denk dat door de jaren Theo één van onze keurmeesters is die het meest gekeurd heeft in het buitenland, hij heeft 25 maal het Franse kampioenschap gekeurd, hij heeft gekeurd in Brazilië, Zuid Afrika, de ganse Benelux, Duitsland, Zwitserland, Portugal, enzovoort. En dit alles met de grote namen op gebied van keuren, als ge er op bezoek bent zou het al moeten lukken dat Theo geen telefoon krijgt uit het buitenland. Bekend in de hobby over gans de wereld.
Nu ge kunt toch geen keurmeester zijn van grasparkieten en geen grasparkieten hebben, er werd besloten van grasparkieten te gaan houden, dit is ondertussen al meer dan 30 jaar geleden. Maar daar was het volgende probleem, daar Theo zijn kanaries en zijn grasparkieten samen onderbracht in de kelder van zijn huis. Links de kanaries en rechts de grasparkieten, kwamen er problemen, de kanaries waren niet bestand tegen het stof dat de grasparkieten meebrachten, en er waren niets dan problemen met deze vogels, er werd gesloten van de kanaries weg te doen. Vooral omdat Theo gebeten door de vererving de grasparkieten nodig had om bepaalde dingen uit te proberen bij de grote parkieten. Eigenaardig zult ge denken, maar in 95% van de gevallen is deze net hetzelfde dan bij grasparkieten, en het voordeel bestaat er in dat grasparkieten driemaal per jaar houden, en de meeste grote parkieten maar éénmaal per jaar, en dat ge soms nog enkele jaren moet wachten eer ze geslachtsrijp zijn.
Door zijn grondige kennis van de verervingleer en de vogels algemeen stond Theo ook aan de basis van het oprichten van BGC, hij is ook de man die het BGC handboek geschreven heeft, wel in overleg met de technische commissie. Jaren heeft hij de technische commissie geleid. Tot over ongeveer 10 jaar geleden, bij het overlijden van zijn vrouw, was er de lust niet meer om zich in te spannen voor de bestuursfuncties in de verschillende clubs, en heeft hij dit afgebouwd.
Nu over de vogels. Bij Theo vindt U geen grijsgroenen, grijzen, of groene vogels. Hij heeft vooral violette, kobalt, Australisch geelmasker, lacewing en ino's. Dit in normaal, bont, spangle, cinnamon en opaline. Een grasparkiet heeft geen enkel rood pluimpje in zijn bevedering, moest hij dit toch ergens hoe klein ook gehad hebben, dan kon dit langs de opaline factor in gekweekt worden tot een rode vogel. Dit omdat de opaline factor rood bevorderd in de kweek. Zo worden bij grote parkieten de rode en roze vogels gekweekt, nemen we nu de roze bourksparkiet, deze is er in opaline geslachtsgebonden factor, nu er wordt een ino bourks geboren, dan zal met de opaline gebruiken hier tegen om de roze bourks te bekomen met name de rubino.
Alle normale kleuren interesseerden Theo niet omdat hij wist hoe deze vererving in mekaar zat. Het waren al de nieuwe kleuren, zijn, uitproberen, wat de vererving hier was geslachtsgebonden, ressief, mutant, dit waren de interesses van Theo. En dat is ook de reden dat hij altijd de moeilijker vogels in kleur gehouden heeft. Momenteel werkt Theo vooral op het verbeteren van de spangle tekening, en er waren al wat vogels op het hok die deze hadden. Met verbeteren bedoelt hij, vooral de intensieve tekening niet flets, want daar is de laatste jaren door de kwekers te weinig opgelet. Er zijn vele goede spangles in body en postuur maar te veel met een fletse spangle tekening. Dan zou het dus perfect mogelijk zijn van de zwarte grasparkiet te kweken, nu volgens Theo die de verschenen artikels over de antraciet gelezen heeft, heeft hij toch zijn twijfels, daar er in de artikels steeds gesproken wordt over 2 donkerfactoren, mauve of olijfgroen, en dit in gekweekt met opaline zou een zeer zware melanine geven, wat de antracietgrasparkiet zou verklaren.
Maar volgens Theo is dit geen mutant, maar een spelen met kweken, het creëren van een kleur patroon dat in de vogel zit. Daar Theo echter geen ervaring heb met deze vogels, is dit zijn gissing daar over. Want bijvoorbeeld opaline, cinnamon, spangle, Australisch geelmasker en anderen zijn mutanten die spontaan zijn ontstaan en door de kwekers zijn vastgelegd. Daarentegen is de cinnamon opaline een creatie van de kwekers omdat beide mutaties cinnamon en opaline aanwezig waren bij de grasparkieten. De cinnamon opaline is dus een nieuwe mutant ontstaan door een crossing over tussen de twee geslachtsgebonden factoren, cinnamon en opaline.
Dus een mutant ontstaat spontaan ook in de natuur, hier krijgen ze echter weinig of geen kans om te overleven omdat ze geen schutkleur hebben en een gemakkelijke prooi zijn voor de grijpvogels. Zelfs indien dit niet het geval zou zijn is de kans nog praktisch nihil opdat er zich een nieuwe mutant zou kunnen uitbreiden in de natuur. De enige mogelijkheid kan zijn als het over een dominant verervende nieuwe mutatie zou gaan. Men kan dus wel stellen dat we een mutatie een cultuurvogel mogen noemen omdat hij door de liefhebber "IN CULTUUR WORDT GEBRACHT".
Het nadeel van een namiddag bij een prof te zitten in vererving is dat ge zoveel informatie te slikken krijgt dat er oren worden van teuten. En dat ge probeert van dit alles te begrijpen, en te volgen, maar niet zo simpel als ge de vererving niet op uw duimpje kent. Maar heel leerrijk, en er zullen dus in de toekomst wat artikels volgen op de vererving, zodat we allemaal er wat van kunnen opsteken.